De Landelijke Knokploegen (LKP) was een organisatie opgericht door de LO (Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers) om te kunnen voorzien in de behoeften van de onderduikers die door de LO werden verzorgd. De taak van de LKP was het zorgen voor persoonsbewijzen en bonkaarten. Deze werden verkregen bijvoorbeeld door overvallen op distributiekantoren en connecties met goede ambtenaren bij de gemeente. Door de maatregelen die de Duitsers doorvoerde (bijvoorbeeld Arbeidseinsatz) en de nasleep van de April-meistaking in 1943 steeg de behoefte snel. Op 14 augustus 1943 werd dan ook door de LO-top besloten tot de oprichting en bundeling van de Knokploegen. De LKP opereerde in het jaar na oprichting met ongeveer 600 verzetsmensen die verdeeld waren over enkele tientallen knokploegen over het hele land. De LKP kon dankzij deze knokploegen de LO over een min of meer geregelde toevoer van bonkaarten verzekeren. In mindere mate maakte de LKP ook wel eens persoonsbewijzen en andere papieren buit, al werden deze voornamelijk door de Falsificatiecentrale van de LO vervaardigt. De LKP werd ook belast met het vinden van voldoende wapens om tijdens de bevrijding te kunnen optreden. Halverwege 1944 had de LKP echter de beschikking over slechts 200 goede wapens. Vanaf augustus kwam daar verandering in door de wapendroppings die de Geallieerden uitvoerden om het verzet te bewapenen. Ook hield de LKP zich bezig met het saboteren van bijvoorbeeld spoorwegen, telefoonnetwerken en andere vitale infrastructuur voor de Duitsers, ook het liquideren van verraders en gevaarlijke personen deed de LKP
Gezien het feit dat de LKP belast was met aanvoer van bonkaarten moest ook na invoering van de Tweede Distributiestamkaart voldoende zegeltjes worden buitgemaakt om de voedselstroom voor de onderduikers te garanderen. Bij de zegeltjeskraak 25 januari 1944 in Tilburg werden in een klap ruim 100.000 zegels buitgemaakt. Volgens naoorlogse gegevens waren er in Nederland ruim 300.000 onderduikers verdeeld over alle verzetsgroepen. Aangezien de LKP in een klap ruim 100.000 zegeltjes buitmaakte voor de LO, en die slechts een van de organisaties was die onderduikers opnam, was de kraak in Tilburg een van de succesvolste ooit. De LKP pleegde overvallen op distributiekantoren en gemeentes (voor de persoonsregisters, zodat de Duitsers niet wisten wie in aanmerking voor de Arbeidseinsatz kwam), maar in principe geen geldovervallen, alleen in uitzonderlijke gevallen kwam dit voor. Er zijn wel diverse geldovervallen gepleegd in naam van de LKP; deze zijn echter niet door de LKP gepleegd. Het plegen van geldovervallen was niet nodig, want de Nederlandse regering stond garant voor alle leningen die de LKP aanging bij bedrijven en in mindere mate particulieren. Toen de LKP met geldproblemen zat werd contact gezocht met de regering in Londen die zich via een bericht op een microfilm garant stelde voor leningen aan de LKP. De LKP pleegde van mei 1943 tot 6 september 1944 153 overvallen op distributiekantoren en bonnentransporten. 84 daarvan zijn er mislukt of gingen door omstandigheden niet door. De bevolkingsregisters werden in dezelfde periode 90 keer overvallen waarvan 14 acties door ambtenaren. 22 van deze overvallen zijn mislukt. Er werden 518 personen bevrijd uit gevangenissen, marechausseekazernes en een ziekenhuis bij 61 bevrijdingsacties. Behalve deze overvallen waren er ook nog 7 wapenkraken gepleegd op politiebureaus en kazernes waarbij 230 pistolen en revolvers werd buitgemaakt. Tot 6 september 1944 pleegde de Knokploegen 62 overvallen - waarvan er 12 niet doorgingen of mislukten - op Arbeidsbureaus of Plaatselijke Bureaus voor de Voedselvoorziening. Ondanks dat de LKP een grote organisatie binnen Nederland was, lukte het de organisatie maar niet contact te leggen met de Engelse contraspionagedienst. Er was tot het zogenaamde "19 punten rapport" van de Londense regering met gedragsregels kwam voor de ondergrondse vond de LO/LKP het tijd geworden een afgezant naar Londen te sturen. Op 17 april 1944 ging de Roermondse pater Lodewijk Bleijs als afgevaardigde van de LO/LKP samen met geheimagent Rudi naar Londen. Na omzwervingen via België, Frankrijk, Zwitserland en Spanje kwamen ze daar op 10 augustus 1944 aan. Kort daarna was iedereen op de hoogte van het werk dat de LO en de LKP deden en hoe ze opereerden. Het sein om de LKP-top te vervangen door het Sabotage Commando was de doorbraak van de Geallieerden troepen bij Falaise in augustus 1944. Het Sabotage Commando was echter niet de enige die sabotage handelingen in Nederland verrichte, ook de RVV (Raad Van Verzet) deed dat. De LKP had van geheimagent De Goede de sabotagehandelingen ontvangen die opgesteld waren door het Geallieerde opperbevel, en wat de LKP, of eigenlijk het Sabotage Commando moest uitvoeren. Er waren echter twee geheimagenten gedropt en geheimagent Mulholland had precies dezelfde instructies aan de RVV gegeven. Er werd dus onafhankelijk van elkaar - en onafhankelijk van het Geallieerden opperbevel - door twee verzetsgroepen sabotage gepleegd, deze situatie kon echter niet lang zo doorgaan. Het zelfstandig optreden van het Sabotage Commando was echter van korte duur, want bij Koninklijk Besluit van 5 september 1944 werden alle erkende verzetsgroepen voortaan gebundeld in de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS) onder commando van Prins Bernhard in al bevrijd gebied en onder commando van Kolonel Henri Koot in Amsterdam voor het nog bezette Nederland. Als commandant van de NBS had Prins Bernhard dus ook de leiding over de RVV, OD (Orde Dienst) en de LKP, om een einde te maken aan deze situatie verplichtte hij ze voortaan overleg te voeren. De twee sabotagecommandanten lieten echter bij herhaling weten niks te voelen hiervoor. Zij vonden dat ze daarmee ondergeschikt aan de OD werden gesteld. Pas toen werd beloofd dat de OD niks van de wapenzendingen kreeg besloten ze toe te treden tot het zogenoemde Delta-overleg. De problemen werden eigenlijk pas opgelost toen op 8 november 1944 de heer Thijsen (Leider van de RVV) en op 28 november de heer Van Bijnen in handen van de Duitsers vielen. Andere vertegenwoordigers maakten toen al bijna twee maanden deel uit van het Delta-Overleg, met de OD en niet onder leiding van. Beide organisaties behielden hun zelfstandigheid. Naarmate het einde van de oorlog voor Nederland in zicht leek, bereidde de LKP zich voor op actieve medewerking aan de Geallieerden troepen door sabotage. Veel van de LKP-ers maakten deze fase van de oorlog echter niet meer mee, in de loop van de oorlog werden tientallen LKP-leden opgepakt en gefusilleerd, van de LKP-top overleefde alleen de heer Liepke Scheepstra. Alle LKP-ers die na hun bevrijding wilden helpen de rest van Nederland te bevrijden werden in het door Prins Bernhard opgerichte Regiment Stoottroepen opgenomen. Hiermee kwam een einde aan een van de meest belangrijke verzetsorganisaties in Nederland tijdens de tweede wereldoorlog. Na de oorlog werden alle LKP-ers geregistreerd. Volgens die registratie maakten tot september 1944 slechts een kleine groep van 620 personen deel uit van de LKP, het merendeel mannen. Bij deze cijfers kunnen nog enkele personen worden geteld. Omgekomen LKP-ers zijn in bovenstaand cijfer niet meegenomen. Bij de LKP kwamen 514 om het leven, een kwart van het totaal. De mensen die er vanaf het eerste uur bij zaten heeft ongeveer 50% de capitulatie van de Duitsers niet gehaald. Bij de LKP was het merendeel ongehuwd, ruim 60%. De gemiddelde leeftijd was 28 jaar. Het is opmerkelijk te noemen dat het grootste deel van de omgekomen verzetsstrijders afkomstig was uit de categorie beter-opgeleiden en zelfstandigen. Behalve de personen die omgekomen zijn, zijn er ook veel mensen die de rest van hun leven blijvende schade hebben opgelopen aan lichaam of geest. |